De jongen die het doen sneeuwen kon
- matthias degroote
- 17 feb 2021
- 4 minuten om te lezen
Er was eens…
Stilte. In een stad hier heel ver vandaan. Een maandenlange stilte lag als een onaangeroerd deken over de normaal zo bruisende stad. In de zomer kregen krekels er het podium, in de winter de mezen. De klokken van de kerk hingen versteven in hun toren en brievenbussen bleven dicht. Straatstenen onbelopen en kiezeltjes al maanden op dezelfde plaats. Af en toe schrikte de stilte van gekletter op de daken. Een regenbui passeert de stad en plenst op het dak van de kamer van een jongetje. Een kleine jongen, die maar net boven het raamkozijn kan, staart dromerig naar de bui.
Hij kijkt naar hoe sommige druppels samensmelten en zich in de gaten van het raam een weg naar binnen banen. Er vormt zich een plasje op de vensterbank, niet ver van waar zijn handen steun vinden. Hij kijkt uit het raam en telt de druppels, om ze allemaal namen te geven en te laten racen. Start! In zijn hoofd gokt hij op de grootste en bedenkt dat als de druppel wint, hij een feest zal geven voor hem. Met veel drank. Water voor iedereen.
In zijn ooghoek ziet hij beweging in het kasteel, dat langzaam opdoemt uit de wegtrekkende wolken. De gedachte dat hij misschien een glimp van de prinses opvangt, stemt hem gelukkig. Omdat de prinses ook alleen op het kasteel blijft, ontmoet hij haar voorlopig enkel in zijn dromen.
Een zonnestraal glipt door het wolkendek en verwarmt zijn linker ooglid, dat zich dient te sluiten. De jongen begint te dagdromen en gaat naar het huis van mevrouw Solange. Daarvoor moet hij wel even wandelen, maar hij kent de weg. Huppelend over het pad door de bomen, voelt hij een blik op zijn rug. Hij vangt een glimp op van de dieren in het bos. Mevrouw Solange haar huisje ruikt naar oude mensen. Wat hem eerst afschrok, omarmt hij nu als zijn thuis. Ze leert hem over het leven in de stad vroeger. Hoe de bakker met zijn broden wiegend een geur doorheen de straten verspreidde, de slager met zijn worsten de dag in slingerde en de kiezels door het straatbeeld stuiterden terwijl kinderen naar school trokken. Ze vertelt hem over hoe de dieren van het bos jaarlijks de lente mee helpen voorbereiden en hoe bloemen hun kleuren krijgen. Lyrisch praat ze over hoe in de herfst de bladeren de stad een laatste maal opfleuren voordat de sneeuw de stad bedekt. De jongen denkt aan sneeuw. Aan hoe het deze eenzame periode zou opfleuren. Als hij zijn best zou doen, zou hij het dan kunnen doen sneeuwen in zijn dromen? Hoe hard hij ook probeert, het lukt maar niet. De zonnestraal verdwijnt en maakt plaats voor een zoveelste bui. De wolken stapelen zich opnieuw op en belemmeren hem, meer dan anders, het zicht naar buiten. Zijn adem wordt plots zichtbaar en kleine kristallen vormen zich in de hoeken. De kilte doen zijn vingertoppen diep in zijn zakken kruipen. Het begon zowaar te sneeuwen.
Terwijl de vlokken zich op het raamkozijn stapelen, valt de nacht. Het dak kraakt onder het gewicht van de sneeuw. In een diepe slaap verwikkeld, hoort de jongen gelach. Het schattigste giecheltje dat hij zich kan inbeelden. Hij gaat op zoek in zijn droom, maar vindt de vreugde niet. De klok van middernacht slaat en het gelach wordt beter hoorbaar. Buiten draait een meisje, met haar armen wijd gespreid, in de verse sneeuw, terwijl ze met haar tong zoveel mogelijk sneeuwvlokjes probeert te vangen. Door het tollen valt ze in een dons van sneeuw. Haar gelach dooft uit tot een gelukzalige glimlach en een blik in het oneindig. Tussen de vlokken ziet ze de jongen en kijkt hem even lang aan als de sneeuwval het toelaat. “Kom buiten spelen!” vraagt ze met haar ogen. De jongen begrijpt wat ze zegt, maar schudt van nee. Hij weet dat niemand buiten mag en tóch ligt daar een mooi meisje, in zijn tuin, in zijn sneeuw. Hij denkt terug aan hoe Mevrouw Solange vertelde over haar eerste sneeuw en hoe leuk ze het als kind vond om te dansen tussen de dwarrelende wolletjes. Hoe ze ’s avonds naar buiten glipte om een hele nacht de stilte te zien en de rust te voelen.
"Kom je?"
Zijn mijmering verdwijnt. Zo stil als hij kan loopt hij de trap af naar beneden. Klaar om voor het eerst een afdruk te maken in zijn sneeuw. Hij kijkt rond, maar kan het meisje niet meer zien. Terwijl hij dieper en dieper de sneeuw intrekt, merkt hij haar gehuppel op in de verte, richting het bos. Hij is nu al buiten, denkt de jongen, en besluit de achtervolging in te zetten. Het gekraak onder zijn voeten verandert in geritsel, en vervolgens in gekletter van kiezeltjes. Struiken waaien in het maanlicht en bomen krijgen kleur. Hoe luider hij het gehuppel van het meisje hoort, hoe meer hij de omgeving herkent. Hij vouwt de mouwen van zijn pyjama helemaal omhoog en streelt met zijn handen door de bloemen. De verwondering van sneeuw maakte plaats voor herkenbaarheid. Het huisje van mevrouw Solange verschijnt in de verte. Die nacht bleef het stil. Net zoals het al maandenlang stil was. De klokken hingen versteven en brievenbussen bleven dicht. Enkele kiezeltjes lagen anders. De sneeuw in de tuin van de jongen was gesmolten, maar in zijn kamer bleef het koud. Koud, onaangeroerd en verlaten.



Opmerkingen